Een vraag? Een suggestie?
Tel.: 015 78 7600
e-mail
Vul het formulier in

Interesse?

Wenst u meer nieuws, wetgeving en praktische informatie over elektriciteit?


Kan een afwijking op de ATEX-voorschriften uit het AREI worden verleend?

Nieuws - 12/02/2021
-
Auteur(s): 
Ir. Guido Haekens


Kan een afwijking op de voorschriften uit het AREI aangevraagd worden? Bij wie kunt u hiervoor terecht? Het antwoord op deze vragen volgt hieronder.


Het antwoord op de vraag of een afwijking op de ATEX-voorschriften uit het AREI kan worden verleend, is tweeledig: je moet een onderscheid maken tussen installaties uitgebaat door een zelfstandige en installaties uitgebaat door een werkgever.

Elektrische installaties uitgebaat door een zelfstandige

Voor elektrische installaties uitgebaat door een zelfstandige gelden enkel de voorschriften van het Algemeen Reglement voor de Elektrische Installaties (AREI).

Elektrische installaties uitgebaat door een werkgever

Voor elektrische installaties uitgebaat door een werkgever gelden niet alleen de voorschriften van het Algemeen Reglement voor de Elektrische Installaties (AREI), maar ook de voorschriften van de Codex, Boek III. Arbeidsplaatsen Titel 2. Elektrische Installaties  en Boek IV. Arbeidsmiddelen Titel 2. Bepalingen van toepassing op alle arbeidsmiddelen. Het resulterend veiligheidsniveau is ten minste het niveau dat bepaald wordt door het AREI.

Met betrekking tot de voorschriften van Boek III. Titel 2. van de Codex moet worden opgemerkt dat het de voorschriften zijn die door de werkgever worden vooropgesteld op basis van een door hem gevoerde risicobeoordeling (risico-inventarisatie en -evaluatie) die rekening houdt met alle risico’s verbonden aan een elektrische installatie (art. III.2-5).

“De werkgever treft op grond van de risicoanalyse bedoeld in de artikelen III.2-3 en III.2-4, alle nodige preventiemaatregelen ter bescherming van de werknemers tegen de in artikel III.2-3 bedoelde risico's, waarbij hij inzonderheid rekening houdt met de parameters bedoeld in artikel III.2-4.  Hiertoe toont de werkgever aan dat de elektrische installatie zodanig is uitgevoerd, zodanig wordt uitgebaat en in stand gehouden dat de werknemers doeltreffend beschermd zijn tegen de risico's verbonden aan elektriciteit.”

Met betrekking tot de voorschriften van Boek IV. Titel 2. van de Codex moet worden aangestipt dat de veiligheidsvoorschriften waaraan de arbeidsmiddelen moeten beantwoorden, de beveiliging tegen risico’s, waaronder de elektrische risico’s, moeten waarborgen.

Daartoe wordt bij de aanschaf van een arbeidsmiddel, elektrische uitrustingen inbegrepen, gesteld dat de werkgever in zijn aankoopcontract de naleving eist van:

  • de vigerende wetten en reglementen inzake veiligheid;
  • de supplementaire voorschriften noodzakelijk om het objectief te bereiken gesteld door het dynamische risicobeheersingsbeleid.

Bij dit aankoopbeleid wordt de preventieadviseur betrokken in de opstelling van de veiligheidsvereisten die moeten worden gevoegd bij het voormelde aankoopcontract.

De werkgever neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de arbeidsmiddelen die in de onderneming of in de inrichting ter beschikking van de werknemers worden gesteld, geschikt zijn voor het uit te voeren werk of daartoe behoorlijk zijn aangepast, zodat de veiligheid en de gezondheid van de werknemers tijdens het gebruik van deze arbeidsmiddelen kunnen worden gewaarborgd.

Iedere bestelling van installaties, machines en gemechaniseerde werktuigen omvat in de bestelbon of in het lastenkohier de eis van de naleving van:

1° de vigerende wetten en reglementen inzake veiligheid en hygiëne
2° de voorwaarden inzake veiligheid en hygiëne, niet noodzakelijk bij de vigerende wetten en reglementen inzake veiligheid en hygiëne opgelegd, maar onontbeerlijk om het objectief te bereiken vooropgesteld door het dynamisch risicobeheersingssysteem bedoeld in artikel I.2-2.
De preventieadviseur arbeidsveiligheid neemt deel aan de werkzaamheden voor het opstellen van de bestelbon. In voorkomend geval, doet hij aanvullende vereisten bijvoegen op het gebied van de veiligheid en hygiëne na raadpleging, indien nodig, van andere deskundigen.

Uit de voorgaande wetteksten blijkt duidelijk dat in een industriële werkeenheid met personeelsbezetting op basis van een risicobeoordeling andere veiligheidsvoorschriften kunnen worden toegepast voor zover de werknemers doeltreffend zijn beschermd tegen de risico’s verbonden aan elektriciteit en dat deze voorschriften een veiligheidsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau geboden door de voorschriften van het AREI.
Het is dan ook geraden het keuringsorganisme, dat bij de keuring voor indienststelling van de afwijkende uitvoering betrokken zal worden, voorafgaand te raadplegen om het resultaat van de door de werkgever uitgevoerde risicobeoordeling op haar gelijkwaardigheid met het AREI te evalueren. Bij een positieve evaluatie en een ermee conforme uitvoering zal de keuring nadien geen problemen mogen opleveren.
Men mag er dus van uitgaan dat de FOD WASO aanvragen voor afwijkingen op de voorschriften van het AREI voor ondernemingen met personeelsbezetting niet als een afwijking zal behandelen. De FOD WASO zal echter verwijzen naar de mogelijkheden daartoe opgenomen in de boeken III en IV van de Codex over het welzijn op het werk.
Afwijkende voorschriften opgenomen in het nieuwe AREI

Voor de installaties waarvan de uitvoering ter plaatse is gestart voor 1 juni 2020 zijn in Deel 8. Bijzondere voorschriften met betrekking tot bestaande elektrische installaties van de drie boeken van het AREI al een aantal afwijkende voorschriften opgenomen.
Deze drie boeken vormen het ‘nieuwe’ Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties. Ze werden bij koninklijk besluit van 8 september 2019 goedgekeurd en heffen het ‘oude’ reglement ter zake op. Deze boeken zijn van toepassing op bepaalde types van elektrische installaties zoals vermeld in Hoofdstuk 1.2. Toepassingsgebied van ieder boek.
Toegespitst op elektrische installaties in ruimten met explosiegevaar kan worden gesteld dat voor ondernemingen zonder personeelsbezetting voor nieuwe installaties alsmede voor uitbreidingen en wijzigingen, individuele afwijkingen kunnen worden aangevraagd bij de toezichthoudende administraties al naargelang de inrichting al dan niet een ingedeelde inrichting is. Bij een ingedeelde inrichting is de FOD WASO bevoegd en bij een niet-ingedeelde inrichting moet de FOD Economische Zaken worden aangeschreven.
Zo dient een zelfstandige uitbater (zonder personeel) van een bevoorradingsstation voor motorvoertuigen zijn afwijkingsaanvragen op het AREI in te dienen bij de FOD WASO aangezien de inrichting als een ingedeelde inrichting te beschouwen is. 

In figuur 1 wordt een logogram getoond dat de administratie aangeeft waarbij de afwijkingsaanvraag moet worden ingediend.


Figuur 1. Keuze van de bevoegde administratie. 

De ‘ingedeelde inrichtingen’ zijn de ‘als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde inrichtingen, met uitsluiting van de mijnen, ondergrondse graverijen en groeven, almede van de fabrieken en opslagplaatsen voor springstoffen’.
De toezichtverdeling is geregeld in artikel 13  en artikel 14  van het KB van 8 september 2019.

Ondertekening afwijkingsbesluiten i.v.m. elektrische installaties

De afwijkingsbesluiten aangaande de elektrische installaties die onder het toezicht vallen van een van beide federale overheidsdiensten, behoeven enkel te worden ondertekend door de minister onder wie de toezichtsbevoegdheid ressorteert.
Voor installaties die onder het toezicht van beide federale overheidsdiensten vallen (bv. openbare zwembaden, openbare bibliotheken), is het vanzelfsprekend dat beide ministers de besluiten ondertekenen.
Dat wordt door artikel 10 van het voormelde koninklijk besluit als volgt verwoord:
“De Minister bevoegd voor Energie en de minister bevoegd voor het Welzijn van de Werknemers bij de uitvoering van hun werk, mogen ieder wat hem betreft voor de installaties die niet beoogd worden bij artikel 9 (d.w.z. de installaties enkel onder het toezicht van de FOD Economie), individuele afwijkingen van de bepalingen van de boeken 1, 2 en 3 toestaan.”
In dit artikel wordt de nadruk gelegd op de afbakening van de bevoegdheid van beide ministers (ieder wat hem betreft) en op het restrictieve karakter (individuele afwijkingen) van de te verlenen afwijkingen.
Uit de bepalingen van dit artikel volgt dat afwijkingen verleend door een minister, wiens diensten geen toezichtbevoegdheid hebben over installaties die het voorwerp van de afwijking zijn, niet over een wettelijke uitvoeringskracht beschikken.

Bovendien stipuleert dit artikel dat een afwijking enkel kan worden toegestaan wanneer:

  • de voorgestelde afwijkingsvoorschriften een veiligheid waarborgen die ten minste gelijkwaardig is aan deze voorzien in de bepalingen waarvan wordt afgeweken;
  • het uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden betreft.

Naargelang de belanghebbende minister worden de aanvragen gericht naar:

  • de federale overheidsdienst Economie, Algemene Directie Energie, Vooruitgangsstraat 50, 1210 Brussel;
  • de federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, Algemene Directie Humanisering van de Arbeid, Ernest Blerotstraat 1, 1070 Brussel.
Geen afwijkingen met ‘algemeen geldend’ karakter
Volgens het door de Raad van State op onderhavig reglement verleende advies, kan de Koning ingevolge de bepalingen van artikel 108 van de Grondwet een regelgevende bevoegdheid delegeren aan een minister voor zover die delegatie zich beperkt tot uitvoeringsmaatregelen van ‘bijkomstige’ of ‘detailmatige’ aard. Hieruit moet worden afgeleid dat geen afwijkingen met een ‘algemeen geldend’ karakter mogen worden verleend.
Ook de toekenning van een dergelijke bevoegdheid aan een ambtenaar, die geen politieke verantwoordelijkheid draagt ten opzichte van een democratisch verkozen vergadering, is in principe ontoelaatbaar, omdat afbreuk wordt gedaan aan het beginsel van de eenheid van verordenende bevoegdheid en aan het beginsel van de politieke verantwoordelijkheid van ministers. Enkel wanneer het een maatregel met een ‘beperkte en technische draagwijdte’ betreft, kan een dergelijke delegatie desnoods worden aanvaard.
Tot daar het standpunt van de Raad van State met betrekking tot het toekennen van afwijkingen op het ‘nieuwe’ AREI.
Besluit
Een zelfstandige kan uitsluitend bij de FOD WASO een afwijking op de reglementaire voorschriften van het AREI aanvragen voor een plaatsgebonden installatie wanneer het een ingedeelde inrichting zonder personeelsbezetting betreft.
Voor al dan niet ingedeelde inrichtingen met personeelsbezetting verleent de wetgever de mogelijkheid aan de werkgever om van de voorschriften van het AREI af te wijken. Dat kan alleen voor zover de door hem vooropgestelde beschermingsmaatregelen minstens een aan het AREI gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden en als ze bovendien worden geïntroduceerd op basis van een door hem uitgevoerde risicobeoordeling.
 
Meer online:

Toepassing van Boek 1 Laagspanning – Afdeling 8.3.1. Bestaande elektrische installaties: oude niet–huishoudelijke elektrische installaties

Toepassing van Boek 1 Laagspanning – Afdeling 8.3.2. Bestaande elektrische installaties: niet–huishoudelijke elektrische installaties oud AREI